“Er is geen ziel wiens geweten niet getuigt dat op deze dag geen zaak ter wereld belangrijker is dan die van de universele vrede.” – ‘Abdu’l-Bahá

Geschiedenis

In Nederland werd in 1852 voor het eerst over het Bahá’í-geloof gepubliceerd. Diplomatieke en handelscontacten brachten ook nieuws over het nieuwe geloof uit Iran. Later kwamen verschillende pioniers naar Nederland om het Bahá’í-geloof bekend te maken. Zo kwam Louis Drake Wright naar Nederland op aanmoediging van Shoghi Effendi, de achterkleinzoon van de Stichter van het Bahá’í-geloof.

De eerste bahá’ís die zich vanuit Duitsland in Nederland vestigden waren de families Tijssen en Greeven in 1937. Na de tweede wereldoorlog begon de Nederlandse bahá’í-gemeenschap te groeien. In 1948 werd de eerste Plaatselijke Geestelijke Raad in Amsterdam gekozen. Het aantal Plaatselijke Geestelijke Raden groeide tot negen en in 1962 werd de eerste Nationale Geestelijke Raad van Nederland gekozen. Op dit moment zijn er 21 Plaatselijke Geestelijke Raden.

Het oogmerk van het Bahá’í-geloof is werken aan processen die leiden tot eenheid van religie, eenheid van ras en taal, gelijkwaardigheid van man en vrouw en uitbanning van extremen van armoede en rijkdom om uiteindelijk wereldvrede te realiseren. Ook in Nederland spanden de bahá’ís zich vanaf het begin in om vrede te bevorderen.

In 1915 stichtten vredesactivisten de Centrale Organisatie voor Duurzame Vrede in Den Haag. Het nieuws hierover verscheen in een krant in Teheran. De Iraanse bahá’ís Ahmad Yazdani en Ibn-i-Aṣdaq schreven de organisatie aan om de principes van het Bahá’í-geloof bekend te maken en adviseerden om contact op te nemen met ‘Abdu’l-Bahá, destijds hoofd van de wereldwijde bahá’í-gemeenschap en oudste zoon van de Stichter van het Bahá’í-geloof. Deze organisatie zocht internationale steun en schreef daarom onder andere ‘Abdu’l-Bahá aan. Als antwoord kwam de brief Het Vraagstuk van Universele Vrede ook bekend als de Tafel aan Den Haag, waarin de benodigde voorwaarden staan om vrede te bereiken. De twee Perzische bahá’ís brachten op verzoek van ‘Abdu’l-Bahá de brief persoonlijk naar de Centrale Organisatie voor Duurzame Vrede in Den Haag.

Hier vindt u de Tafel aan Den Haag.