BAHA'I-GELOOF

« September 2010 »
SuMoTuWeThFrSa
     
   
             
3 Macht - 167 BE

De sterfdag (hemelvaart) van Bahá'u'lláh

 

Bahá'u'lláh, de Stichter van het Bahá'í-geloof, overleed op 29 mei in 1892 in Akka, Israël (destijds Palestina).

 

Klik hier voor een video-presentatie (engelstalig).

 

bahaullah-passed-away.jpg
De kamer waar Bahá'u'lláh
in 1892 heenging
.

 

Shoghi Effendi schrijft in zijn boek "God Schrijdt Voorbij":

Reeds negen maanden voor Zijn heengaan had Bahá'u'lláh, volgens 'Abdu'l-Bahá, uitdrukking gegeven aan Zijn wens deze wereld te verlaten. Van die tijd af konden Zijn bezoekers uit de toon van Zijn opmerkingen steeds duidelijker opmaken, dat het einde van Zijn aardse bestaan naderde, hoewel Hij er nimmer openlijk met iemand over sprak. Op de avond 8 mei 1892 kreeg Hij lichte koorts die de volgende dag iets hoger werd, maar spoedig daarna afnam. Hij ging voort aan bepaalde vrienden en pelgrims een onderhoud te verlenen, maar het werd spoedig duidelijk dat Hij niet in orde was. De koorts kwam in heviger mate terug, Zijn algehele toestand werd gestadig minder en er deden zich complicaties voor die tenslotte uitliepen op Zijn hemelvaart, bij het ochtendgloren van 29 mei 1892, acht uur na zonsondergang, in Zijn 76e levensjaar. Zijn geest, ten lange leste bevrijd van de zware druk van een met beproevingen overladen leven, had nu zijn vlucht genomen naar "andere gebieden", gebieden "die het volk van namen nimmer heeft aanschouwd", en waarheen de "stralende, in het wit geklede maagd" Hem had geroepen, zoals Hij Zelf had beschreven in de Lawh-i-Ru'yá (Tafel van het Visioen), die Hij negentien jaar tevoren bij de viering van de geboortedag van Zijn Voorloper had geopenbaard.

 

Bahji-at-night.jpg
De Graftombe van Bahá'u'lláh in Bahjí, Israël


Zes dagen voor Zijn verscheiden, toen Hij reeds het bed moest houden en slechts kon zitten als Hij tegen een van Zijn zoons aanleunde, riep Hij alle aanwezige gelovigen, waaronder verscheidene pelgrims die zich in de Villa ophielden, bijeen voor een onderhoud; het zou het laatste blijken te zijn. Teder en hartelijk sprak Hij de wenende mensen die zich om Hem heen hadden geschaard toe, "Ik ben zeer tevreden over u allen; gij hebt vele goede diensten bewezen, en zijt zeer volhardend geweest in uw werkzaamheid. Gij zijt hier iedere ochtend en iedere avond gekomen. Moge God u bijstaan om verenigd te blijven. Moge Hij u helpen de Zaak van de Heer van bestaan tot aanzien te brengen". Tot de vrouwen, alsook de leden van Zijn eigen familie die bij Zijn bed stonden, richtte Hij gelijksoortige bemoedigende woorden, warbij Hij hen duidelijk verzekerde dat Hij een document had toevertrouwd aan de Grootste Tak, waarin Hij allen in Zijn zorg had aanbevolen.

 

Zie ook:
- Kitáb-i-Ahd (Boek van het Verbond - Testament van Bahá'u'lláh)
- Holy day marks 116th anniversary of the passing of Baha’u’llah (Engelstalig) 
- The passing of Bahá'u'lláh (Engelstalig)

 

home pdf pagina doorsturenprint