BAHA'I-GELOOF

« Maart 2010 »
ZoMaDiWoDoVrZa
 
     
             
10 Verhevenheid - 166 BE

De sterfdag (heengaan) van ‘Abdu'l-Bahá

 

Bahá'ís herdenken het heengaan van ‘Abdu'l-Bahá, de oudste zoon van Bahá'u'lláh. Hij overleed in Haifa, Israël (destijds Palestina), op 28 november in 1921.

Shoghi Effendi schrijft in zijn boek 'God Schrijdt Voorbij':

Aan het einde van zijn inspannende rondreis door het westen, die het uiterste van zijn afnemende krachten had gevergd, schreef hij: "Vrienden, de tijd is nabij dat ik niet langer met u zal zijn. Ik heb alles gedaan wat ik kon doen. Ik heb de Zaak van Bahá'u'lláh gediend tot het uiterste van mijn kunnen. Ik heb dag en nacht gearbeid gedurende alle jaren van mijn leven. O, hoe verlang ik ernaar te zien hoe de gelovigen de verantwoordelijkheid voor de Zaak op hun schouders nemen! ... Mijn dagen zijn geteld en behalve dit blijft mij geen andere vreugde". Ettelijke jaren daarvoor had hij al op zijn heengaan gezinspeeld: "O gij, mijn trouwe geliefden! Mochten er ooit in het Heilige Land rampzalige gebeurtenissen plaatsvinden, laat u dan daardoor niet verontrusten of opwinden. Vreest niet en weest ook niet bedroefd. Want elke gebeurtenis zal maken dat het woord van God wordt verheerlijkt en Zijn goddelijke geuren worden verspreid". En verder, "Bedenkt dat ik altijd met u zal zijn, of ik op aarde vertoef of niet". In een van zijn laatste Tafelen raadde hij zijn vrienden aan, "Ziet niet naar de persoon 'Abdu'l-Bahá, want hij zal u tenslotte allen verlaten; neen, vestigt uw blik op het woord van God ... De Geliefden van God moeten met zoveel standvastigheid opstaan dat, mochten op een moment honderden mensen net als 'Abdu'l-Bahá het doelwit worden van de pijlen van smart, niets of niemand van invloed kan zijn op, of afbreuk doen aan hun dienst aan de Zaak van God".

abdul-baha-in-haifa.JPG
'Abdu'l-Bahá op Haparsim Street, Haifa, Israël

In een Tafel aan de amerikaanse gelovigen, geschreven een paar dagen voordat hij heenging, luchtte hij zijn ingehouden verlangen deze wereld te verlaten aldus, "Ik heb afstand gedaan van de wereld en de mensen daarin ... In de kooi van deze wereld fladder ik als een opgejaagde vogel en verlang er idee dag naar op te mogen wieken naar Uw Koninkrijk. Yá Bahá'u'l-Abhá! Laat mij de beker van opoffering ledigen en bevrijd mij". Ongeveer zes maanden voor zijn heengaan schreef hij een gebed ter ere van een bloedverwant van de Báb: "O Heer! Mijn botten zijn verzwakt en mijn hoofd is bedekt met witte haren ... Ik heb nu een hoge leeftijd bereikt en mijn krachten nemen af ...' Geen kracht is mij gebleven om Uw geliefden te dienen ... O Heer, mijn Heer! Bespoedig mijn opstijging naar Uw verheven Drempel ... en mijn aankomst bij de deur van Uw genade onder de schaduw van Uw grootste barmhartigheid..."

Uit de dromen die hij had, uit de gesprekken die hij voerde, uit de Tafelen die hij openbaarde bleek steeds duidelijker dat zijn einde snel naderde. Twee maanden voor zijn heengaan vertelde hij zijn familie een droom die hij had gehad, "Het leek", zei hij, "alsof ik in het binnenste heiligdom, op de plaats van de Imám, in een grote moskee stond, met het gezicht naar de Qiblih gewend. Ik werd gewaar, dat een groot aantal mensen de moskee binnenstroomde. Er kwamen er meer binnen, steeds meer, en namen hun plaatsen achter mij in, totdat er een heel grote menigte was. Toen ik daar zo stond, riep ik met luider stemme op tot het gebed. Plotseling kwam de gedachte bij mij op de moskee te verlaten. Toen ik merkte, dat ik buiten stond, zei ik tegen mijzelf, 'Om welke reden ben ik daar weggegaan, zonder het gebed geleid te hebben? Maar het doet er niet toe; nu ik de oproep tot gebed heb uitgesproken, zal de menigte uit zichzelf het gebed zingen'". Een paar weken later, in de tijd dat hij een afgelegen kamer in de tuin van zijn huis bewoonde, vertelde hij een andere droom aan de aanwezigen, "Ik had een droom en zie, de Gezegende Schoonheid (Bahá'u'lláh) kwam en zei tegen mij, 'Vernietig deze kamer'". Niemand van de aanwezigen begreep de betekenis van deze droom, totdat hij zelf spoedig daarna heenging en het hun allemaal duidelijk werd, dat met de "kamer" de tempel van zijn lichaam was bedoeld.

Een maand voor zijn dood (die plaats vond in zijn 78e levensjaar, in de vroege morgen van 28 november 1921) had hij er, in enkele opbeurende woorden tot een gelovige die treurde over het verlies van zijn broer, uitdrukkelijk op gewezen. En ongeveer twee weken voor zijn heengaan had hij met zijn trouwe tuinman gesproken op een wijze die duidelijk aangaf, dat hij wist dat zijn einde nabij was. "Ik ben zo afgemat, het uur is gekomen, dat ik alles moet achterlaten en heen moet gaan. Ik ben te vermoeid om te lopen". En hij voegde er aan toe, "Het gebeurde tijdens de laatste dagen van de Gezegende Schoonheid, toen ik bezig was Zijn papieren bijeen te garen, die over de sofa in Zijn schrijfkamer in Bahjí verspreid lagen, dat Hij Zich tot mij wendde met de woorden, 'Het heeft geen zin ze bijen te garen, Ik moet ze laten liggen en heengaan'. Ook ik heb mijn werk beëindigd. Ik kan niets meer doen. Daarom moet ik het laten liggen en vertrekken"..

Tot de allerlaatste dag van zijn aardse bestaan bleef 'Abdu'l-Bahá dezelfde liefde geven aan hoog en laag, dezelfde hulp verlenen aan armen en vertrapten en dezelfde plichten vervullen in dienst van zijn Vaders Geloof, zoals hij het vanaf zijn kinderjaren gewend was geweest. Op de vrijdag voor zijn heengaan woonde hij ondanks grote vermoeidheid het middaggebed in de moskee bij en gaf na afloop aalmoezen aan de armen, zoals hij altijd had gedaan; dicteerde een paar Tafelen - de laatste die hij openbaarde; zegende het huwelijk in van een trouwe dienaar, dat op zijn aandringen op die dag plaats vond; woonde de gebruikelijke bijeenkomst van de vrienden in zijn huis bij; voelde zich de volgende dag koortsig en, daar hij de daarop volgende zondag niet in staat was het huis te verlaten, zond hij alle gelovigen naar het graf van de Báb om er het feest bij te wonen, dat een parsí pelgrim ter gelegenheid van de gedenkdag van de verkondiging van het Verbond gaf; ontving diezelfde middag met zijn onveranderlijke hoffelijkheid en vriendelijkheid en ondanks toenemende vermoeidheid de muftí van Haifa, de burgemeester en de commissaris van politie; en informeerde die avond - de laatste van zijn leven - voor hij zich terugtrok, naar de gezondheid van ieder lid van zijn huishouding en die van de pelgrims en de vrienden in Haifa.

Om kwart voor een 's nachts stond hij op, liep naar een tafel in zijn kamer, dronk wat en ging weer naar bed. Wat later vroeg hij een van zijn twee dochters die op waren gebleven om hem te verzorgen, de gordijnen om zijn bed wat op te trekken, daar hij moeite had met ademhalen. Zij bracht hem wat rozenwater; hij dronk daar wat van en ging weer liggen; en toen zij hem wat te eten aanbood zei hij duidelijk hoorbaar, "Gij wenst dat ik wat eet en dat terwijl ik heenga"? Een minuut later was zijn geest omhooggewiekt naar zijn eeuwig verblijf om ten langen leste verzameld te worden tot de heerlijkheid van zijn geliefde Vader en de vreugde van eeuwigdurende hereniging met Hem te smaken.

Het nieuws van zijn zo plotselinge en onverwachte dood verspreidde zich als een lopend vuur door de stad en werd ogenblikkelijk telegrafisch naar alle delen van de aardbol geseind en vervulde de gemeenschap van de volgelingen van Bahá'u'lláh met diepe droefheid. Bewijzen van medeleven van veraf en dichtbij, van hoog en laag, in de vorm van telegrammen en brieven, stroomden binnen voor de verslagen en ontroostbare familie: woorden van lof, toewijding, smart en sympathie.

De britse Minister van Koloniën, Mr. Winston Churchill, telegrafeerde onmiddellijk aan de Hoge Commissaris van Palestina, Sir Herbert Samuel, hem opdragend " aan de Bahá'í gemeenschap uit naam van Zijne Majesteits regering deelneming en rouwbeklag over te brengen". Burggraaf Allenby, de Hoge Commissaris van Egypte, zond een telegram aan de Hoge Commissaris van Palestina, met het verzoek "de gemeenschap" zijn "oprechte medeleven in het verlies van hun geëerde leider te betuigen". De ministerraad in Baghdád gaf opdracht aan de Eerste Minister Siyyid 'Abdu'r-Rahmán om hun "deelneming" te betuigen aan "de familie van Zijne Heiligheid 'Abdu'l-Bahá met hun grote verlies". De opperbevelhebber van het egyptische expeditieleger, generaal Congreve, richtte tot de Hoge Commissaris van Palestina een boodschap met het verzoek "zijn diepste medeleven te betuigen aan de familie van wijlen Sir 'Abbás Bahá'í". Generaal Sir Arthur Money, de voormalige hoogste bewindvoerder over Palestina, sprak zijn droefenis, zijn diepste respect en zijn bewondering voor hem uit alsook zijn medeleven bij het verlies dat zijn familie had geleden. Een van de eminentste figuren uit het academische leven van de universiteit van Oxford, een beroemde professor en geleerde, schreef uit naam van hemzelf en zijn vrouw, "Het overgaan naar een volkomener leven moet vooral een wonderbare zegen zijn voor hem die altijd reeds zijn gedachten op het hogere had gericht en hier op aarde ernaar streefde, een hoogstaand leven te leiden".

Vele kranten uit verschillende richtingen, zoals de londense "Times", de "Morning Post", de "Daily Mail", de "New York World", "Le Temps", de "Times of India" en andere gaven in verschillende talen en landen blijk van hun grote waardering voor hem die de Zaak van broederschap en vrede onder de mensen zulke buitengewone en onvergankelijke diensten had bewezen.

De Hoge Commissaris, Sir Herbert Samuel, berichtte onmiddellijk dat hij de begrafenis in eigen persoon wilde bijwonen om, zoals hij later zelf schreef, "mijn achting tot uiting te brengen voor zijn geloofsovertuiging en mijn eerbied voor zijn persoonlijkheid". Wat betreft de begrafenis zelf, die plaatsvond op dinsdagochtend - een begrafenis, zoals Palestina nog nooit eerder had aanschouwd - waren er zeker tienduizend mensen van iedere laag van de bevolking, godsdienst en ras aanwezig. De Hoge Commissaris getuigde later zelf, "Een enorme menigte was tezamen gekomen, in diepe rouw over zijn dood, maar dankbaar voor zijn leven". Sir Ronald Storrs, de toenmalige gouverneur van Jeruzalem beschreef de begrafenis, "Ik heb nimmer een eensgezinder betoon van leedwezen en eerbied gezien dan nu werd opgeroepen door deze uitermate eenvoudige plechtigheid".

Begrafenis 'Abdu'l-Bahá - http://info.bahai.org/article-1-3-4-4.html

De kist met de stoffelijke resten van 'Abdu'l-Bahá werd op de schouders van zijn geliefden naar zijn laatste rustplaats gedragen. De stoet die vooraan liep werd geleid door het stedelijke politiekorps dat optrad als erewacht, waarachter zich achtereenvolgens voegden: de padvinders van de moslem en christelijke gemeenschappen met geheven vaandels, een groep moslem knapen die verzen zongen uit de Qur'án, de leiders van de moslem gemeenschap met aan het hoofd de Muftí en een aantal rooms-katholieke, grieks-orthodoxe en anglicaanse priesters. Achter de kist liepen zijn familieleden, de britse Hoge Commissaris, Sir Herbert Samuel; de gouverneur van Jeruzalem, Sir Ronald Storrs; de gouverneur van Phoenicië, Sir Stewart Symes; regeringsambtenaren; consuls van verschillende landen met standplaats Haifa; moslem, joodse, christelijke en druzische notabelen uit Palestina; Egyptenaren, Grieken, Turken, Arabieren, Koerden, Europeanen en Amerikanen; mannen, vrouwen en kinderen. De lange stoet rouwenden beklom onder het geween en geweeklaag van vele diepbedroefden langzaam de helling van de berg Karmel naar mausoleum van de Báb.

Vlak bij de oostelijke ingang van het heiligdom werd de gewijde kist op een eenvoudige tafel gezet en in aanwezigheid van die enorme schare mensen hielden negen sprekers, die het islamitische, joodse en christelijke geloof vertegenwoordigden en waaronder ook de muftí van Haifa, hun grafrede. Toen zij die hadden uitgesproken, begaf de Hoge Commissaris zich naar de kist en betuigde, met het hoofd gebogen in de richting van het heiligdom, 'Abdu'l-Bahá de laatste eer; de andere regeringsambtenaren volgden zijn voorbeeld. De kist werd daarop naar een van de ruimten in het heiligdom gedragen en daar in droefenis en eerbied neergelaten in zijn laatste rustplaats in een gewelf, dat grensde aan dat, waarin de stoffelijke resten van de Báb waren bijgezet.

In de week na zijn heengaan gaf men nog dagelijks in zijn huis voedsel aan de armen van Haifa, terwijl men te zijner gedachtenis op de zevende dag aan ongeveer duizend van hen, ongeacht geloof of ras, graan uitdeelde. Op de veertigste dag erna werd een indrukwekkend feest voor zijn nagedachtenis gehouden, waarvoor meer dan zeshonderd mensen uit Haifa, 'Akká en naburige delen van Palestina en Syrië waren uitgenodigd, waaronder ook regeringsambtenaren en notabelen van diverse godsdienstige overtuiging en ras. Ook werden op die dag meer dan honderd armen gespijzigd.

Een van de aanwezigen, de gouverneur van Phoenicië, herdacht 'Abdu'l-Bahá met de volgende woorden, "De meesten van ons hier hebben, dunkt mij, een duidelijk beeld van Sir 'Abdu'l-Bahá 'Abbás, van zijn waardige figuur zoals hij in gedachten door de straten liep, van zijn hoffelijke en innemende manieren, van zijn vriendelijkheid, zijn liefde voor kleine kinderen en bloemen, van zijn vrijgevigheid en zorgzaamheid voor armen en noodlijdenden. Hij was zo zachtmoedig en eenvoudig, dat men in zijn bijzijn bijna vergat, dat hij tevens een groot leraar was, en dat zijn geschriften en zijn gesprekken een troost en een inspiratie waren voor honderden, duizenden mensen in het oosten en het westen".

 

Meer informatie:
- Testament van 'Abdu'l-Bahá 
- www.bahai.org - The Passing of 'Abdu'l-Bahá (Engelstalig)

home pdf pagina doorsturenprint