Den Haag, 29 augustus 2007
Vertrouwelijke documenten wijzen op aangescherpt beleid
Uit een vertrouwelijk document is gebleken, dat de Iraanse regering universiteiten heeft opgedragen studenten uit te sluiten van universitair onderwijs als bekend is dat ze tot het Bahá’í-geloof behoren. De BIC (Bahá’í International Community), vertegenwoordigend orgaan van de bahá’ís in New York, heeft dat in een persbericht bekendgemaakt.
Het document waarnaar door de BIC wordt verwezen is in 2006 verstuurd aan alle universiteiten van Iran. Het is een vertrouwelijke brief van het ministerie van Wetenschap, Research en Technologie. Bij de universiteiten in Iran wordt er in dit document op aangedrongen bahá’í-studenten uit te sluiten. In een andere vertrouwelijke brief wordt de hoogste bestuurder van de Payám-i-Núr universiteit gevraagd instructies te geven die ertoe leiden dat bahá’í-studenten worden geweerd.
Het belemmeren van bahá’ís om te studeren in Iran is nog steeds gebaseerd op een niet-openbaar document, dat is verspreid eind 1991. Het is een memorandum waarin werd opgeroepen om de bahá’ís in Iran zodanig te behandelen, dat hun vooruitgang en ontwikkeling zou worden geblokkeerd. Onderdeel van die behandeling was het uitsluiten van bahá’ís van alle universiteiten.
De BIC beschikt over twee recente documenten, waaruit blijkt dat een bahá’í-student aan de universiteit van Gilán is weggestuurd onder verwijzing naar het memorandum uit 1991.
Iran heeft voortdurend tegengesproken dat er sprake was het uitsluiten van bahá’í-studenten. Vorig jaar vestigde VN-rapporteur Asma Jahangir eind maart in een persbericht de aandacht op het feit, dat de bahá’ís nog steeds worden vervolgd in Iran. Iraanse diplomaten ontkenden vervolgens pertinent dat er sprake zou zijn van vervolging en dat bahá’ís alle vrijheid hadden om hoger onderwijs te volgen. Het Britse parlementslid Clare Short toonde onlangs de bahá’í-gemeenschap van Birmingham een brief van de Iraanse ambassade in het Verenigd Koninkrijk, gedateerd 8 juni 2006, waarin onomwonden wordt aangegeven dat de bahá’ís in Iran gelijkgerechtigd zijn en niet worden uitgesloten van hoger onderwijs als gevolg van hun levensovertuiging. Recent, in maart 2007, verklaarden vertegenwoordigers van de Iraanse regering tegenover het persbureau Reuter dat de bezorgdheid van de internationale bahá’í-gemeenschap over de positie van bahá’í-studenten ongegrond was en dat niemand in Iran wordt uitgesloten van hoger onderwijs om religieuze redenen. De nu door de BIC openbaar gemaakte documenten spreken dit evenwel tegen.
De internationale bahá’í-gemeenschap is uiterst bezorgd over de nieuwe ontwikkelingen. Ook het vertegenwoordigend orgaan van de bahá’ís in Nederland, de Nationale Geestelijke Raad (NGR), is ongerust. De NGR zal aan de Nederlandse overheid en aan besturen van universiteiten vragen om alles in het werk te stellen om de situatie voor bahá’í-studenten in Iran te verbeteren.
Meer informatie:
- http://news.bahai.org/story/575 (incl. originele documenten)
- http://bahai.org/persecution/iran
- Rapport IHRDC - A Faith Denied: The Persecution of the Bahá’ís of Iran



