Het woord ‘Ridván’ betekent ‘paradijs’. Twaalf dagen lang, van 21 april tot en met 2 mei, herdenken de bahá’ís deze periode in 1863, toen Bahá’u’lláh, de Profeet en Stichter van het Bahá’í Geloof, in een tuin in Baghdad verbleef, welke Hij ‘de Tuin van Ridván’ heeft genoemd. Tijdens dit verblijf verkondigde Bahá’u’lláh Zijn zending als de Boodschapper van God voor deze tijd.
Klik hier voor een video-presentatie (engelstalig)
Shoghi Effendi schrijft in "God Schrijdt Voorbij" het volgende over deze periode:
De aankomst van Bahá'u'lláh in de Najíbíyyih Tuin, later door Zijn volgelingen de Tuin van Ridván genoemd, is het begin van wat nu wordt erkend als het heiligste en belangrijkste Bahá'í feest, het feest van de herdenking van de verklaring van Zijn zending aan Zijn metgezellen...
Over bijzonderheden omtrent die historische verkondiging beschikken wij helaas nauwelijks. De woorden die Bahá'u'lláh bij die gelegenheid feitelijk heeft gebruikt; de wijze waarop Hij Zijn verkondiging deed; de reactie die het opwekte; het effect dat het had op Mírzá Yahyá; de namen van degenen die het voorrecht genoten Hem aan te horen, zijn zo in duister gehuld, dat de toekomstige historici dit met moeite zullen kunnen doorbreken. De fragmentarische beschrijving die Zijn kroniekschrijver Nabíl aan het nageslacht heeft nagelaten, is een van de heel weinige authentieke aantekeningen die wij bezitten van de gedenkwaardige dagen, die Hij in die tuin doorbracht. Nabíl verhaalt, "Iedere dag voor zonsopgang plachten de tuiniers de rozen langs de vier lanen in de tuin te vergaren en ze midden op de vloer van Zijn gezegende tent op te hopen. Op het uur, dat Zijn metgezellen in Zijn tegenwoordigheid hun ochtendthee kwamen drinken, was die stapel meestal reeds zo hoog, dat zij er niet overheen konden kijken. Al deze rozen placht Bahá'u'lláh iedere ochtend eigenhandig toe te vertrouwen aan enkele gelovigen, die Hij heenzond om ze uit Zijn naam aan Arabische en Perzische vrienden in de stad te brengen". "Op een nacht,"vervolgt hij, "de negende nacht van de wassende maan, hield ik de wacht bij Zijn gezegende tent. Tegen het middernachtelijk uur zag ik Hem uit Zijn tent komen, voorbij de plekken gaan waar enkele van Zijn metgezellen lagen te slapen, en langs de maanovergoten, met bloemen omzoomde lanen van de tuin op en neer lopen. Het gezang van de nachtegalen klonk zo luid, dat alleen degenen die vlak bij Hem waren Zijn stem duidelijk konden horen. Hij bleef op en neer lopen tot Hij, midden in een van de lanen stilhoudend, opmerkte, 'Aanschouw deze nachtegalen. Hun liefde voor de rozen is zo groot dat zij, zonder te slapen, van de avondschemer tot zonsopgang hun melodieën kwelen en zich met vurige hartstocht onderhouden met het voorwerp van hun aanbidding. Hoe dan kunnen zij die beweren ontvlamd te zijn door de roosachtige schoonheid van de Geliefde, verkiezen te slapen?' Drie nachten achtereen hield ik de wacht en liep de ronde om Zijn gezegende tent. Ieder keer als ik langs de bank kwam, waarop Hij lag, merkte ik dat Hij wakker was, en iedere dag zag ik Hem van deochtend tot de avond voortdurend in gesprek gewikkeld met de stoom bezoekers die vanuit Baghdád bleef komen. Niet eenmaal kon ik in Zijn woorden ook maar een spoor van geveinsdheid ontdekken".
Laat Bahá'u'lláh Zelf ons de grote betekenis van die verkondiging onthullen. Hij roept deze historische gebeurtenis uit als het "grootste Feest", de "koning der Feesten", het "feest van God" en heeft haar in Zijn Kitáb-i-Aqdas gekarakteriseerd als de Dag, waarop "al het geschapene in de zee van loutering werd gedompeld", terwijl Hij in een van Zijn Tafelen over dit onderwerp ernaar heeft verwezen als de Dag, waarop "de bries van vergeving over de gehele schepping werd geblazen". ...



