25 jaar Lotus-Tempel in India (2)
Interview met bouwmeester Fariborz Sahba
In een interview met de “Times of India” noemt Fariborz Sahba, de architect van het Bahá’í Huis van Aanbidding van India, de locatie van zijn “Lotus-Tempel” indrukwekkend en tegelijkertijd “ongelukkig” door de reusachtige neonreclames en LED-boards die sinds de opening, 25 jaar geleden, in zijn perspectieven zijn geplaatst. “De tempel is als mooist geïllumineerde bouwwerk ter wereld bekroond, naast de Eiffeltoren en het Vrijheidsbeeld. Daarom hoop ik dat er erkenning zal zijn voor de gezichten van de stad; Delhi ziet er anders uit dan Shanghai of Singapore”.
Vroeger kon je de sneeuwwitte tempel van verre zien. Inmiddels is de stedelijke bebouwing steeds dichterbij gekomen. Tien jaar waren in het concept en het ontwerp gegaan. De constructie met bamboesteigers voor de inheemse werkkrachten heeft nog eens een kwart eeuw gevergd, mede omdat de import van bouwmateriaal en gereedschappen toentertijd niet was toegestaan.
Beroemde westerse bouwtechnici lieten het afweten – de constructie met schalen van wit marmer en beton leek hen in India onuitvoerbaar. De Perzische architect die Canadees is geworden heeft toen zelf de technische bouwleiding op zich genomen.
Inmiddels trekt de Bahá’í Tempel jaarlijks 4,6 miljoen mensen, bijna dubbel zoveel als de Taj Mahal, het mausoleum dat in het Perzisch van de 17e eeuw “Paleis van de Kroon” is genoemd, ter herinnering aan de toenmalige grootmogol, Sjah Jahan, aan zijn geliefde Perzische vrouw Mumtaz Mahal. Beide gebouwen ontlenen hun schoonheid au fond aan hun architectonische eenvoud.
Fariborz Sahba weet de schoonheid van zijn werk te waarderen, maar hem raakt meer nog dat zijn tempel uit een geest van liefde voor de mensheid is ontstaan. “In de Lotus-Tempel zitten presidenten en sjofel geklede bedelaars op dezelfde soort stoel. De bedelaar is Gods zoon en ook de president is Gods zoon”. De uiterlijke en de innerlijke wereld van de mens horen hand in hand te gaan, dat is voor de beroemde bouwmeester “de boodschap van het Bahá’í-geloof”.
