De Davidische relatie van Bahá’u’lláh
Een Perzische prinses trouwt met de prins van de Joden in het exil
In de 7e eeuw trouwden Bustenai ben Hananai, Rosh Galut van de Joden buiten Zion, en Dara Izdundad, dochter van de laatste zoroastrische koning van Perzië, Yazdegerd III, die door de legers van kalief Omar was verslagen. Daardoor ontstond er een band tussen het Huis David van (Grieks) exilarch Bustenai en het Huis van de Safawiden dat toen met het zoroastrische Perzië onderging. De vorst van de joden woonde in de Sassanidische hoofdstad Madain, Grieks Ctetiphon, nabij Bagdad. Volgens de Israëlieten waren hun wereldlijke opperhoofden traditioneel afstammelingen van Koning David. En de familie van Mírza Husayn-Alí Nurí die zich als Godbrenger Bahá’u’lláh (Heerlijkheid Gods) noemde, had zich door de tijden heen als stammende uit die Perzisch-Judaïsche verbintenis gezien.
In die zin vervult Bahá’u’lláh de joods-dynastieke verwachting met betrekking tot de Messias, de Heer der heerscharen die de geschiedenis van de mensheid zal veranderen door ze te verenigen. De daarbij behorende genealogie behoort tot het patrimonium van het jodendom dat van geslacht tot geslacht mondeling werd bewaard. De staatsarcheologie van Israël heeft in de decennia van het land niet kunnen aantonen dat de grandeur van Koning David sporen heeft nagelaten in de werkelijkheid van de aan hem toegeschreven tijd rond 1000 v. Chr.
[De situatie wordt toegelicht in www.bahaiquest.nl/karmel, in het “Zijpad naar het oude Perzië”;
Over de archeologie van de Bijbel: Israel Finkelstein en Neil A. Silberman, “De Bijbel als mythe”, 5e hoofdstuk.]

