Verenigd Koninkrijk: honderd jaar later - een onvergetelijk bezoek
De Engelse bahá’ís bereiden zich voor op het eeuwfeest van het eerste bezoek van ‘Abdu’l-Bahá tijdens de late zomer van 1911. Drie jaar eerder hadden omwentelingen in het Ottomaanse Rijk een golf van politieke en godsdienstige vrijheden gebracht. Daardoor was ‘Abdu’l-Bahá, de oudste zoon en erfgenaam van Bahá’u’lláh, ineens een vrij man. Bahá’u’lláh belichaamde Gods Geest van nieuwe tijden. Abdu’l-Bahá wist dit en werd diens grootste promotor en vertolker in veertig jaar ballingschap, met als erenaam “Dienaar van God”.
Al tegen het einde van de 19e eeuw, kort na de dood van Bahá’u’lláh (1892), waren westerlingen naar de strafkolonie Akko en het naburige Haifa gereisd, met vragen over hetgeen er gaande was aan de kust van Galilea. In Amerika en Europa gingen geruchten over een nieuwe openbaring van God aan de wereld – een vervolg op verschijnselen van een kennelijk voortschrijdende openbaring, met Mozes, Jezus Christus, Mohammed en andere Verlichten uit de geschiedenis. Was de Beloofde van alle religies gekomen?
Een van die vroege pelgrims, de jonge Amerikaanse Laura Clifford Barney (1879-1974), schreef in 1904-1906 de antwoorden op van Abdu’l-Bahá over de denkbeelden van de leer van Bahá’u’lláh. Haar notities waren in 1908 als “Some Answered Questions” verschenen en werden daarna voor velen de eerste beredeneerde kennismaking met verlossende ruimheid van het Bahá’í-geloof. In 1982 verscheen er in Den Haag ook een vertaling van in het Nederlands: “Abdu’l-Bahá, Beantwoorde Vragen”, met een herziene herdruk in 2009.
Tochten naar het westen
In 1910 was Abdu’l-Bahá naar Egypte gereisd, en in het jaar daarop naar Londen en Parijs. Er volgden lange en vermoeiende reizen naar de VS en Canada (1912) en naar Duitsland, Oostenrijk en Hongarije (1913). De Engelsen hadden al in 1845 in het dagblad “The Times” over de Báb kunnen lezen die de komst van Bahá’u’lláh predikte en gelovig Perzië in rep en roerbracht. In 1899 was in Londen de jonge Ethel Rosenberg als eerste Engelse een volgeling van Bahá’u’lláh geworden. Het nieuwe geloof werd in maart 1911 voor het eerst door Albert Wilberforce officieel vermeld. Wilberforce was de geestelijke van het Lagerhuis en hulpbisschop (aartsdeken) van de vrijgemaakte kerk City Temple te London, oorspronkelijk gewijd aan de Heilige Johannes van Westminster.
In september van dat jaar was Abdu’l-Bahá in Londen gearriveerd. Op de elfde van die maand hield hij voor het eerst een openbare toespraak, in de “City Temple” waar de aartsdeken de vertaling van de woorden van zijn Perzische gast persoonlijk oplas. En van hetgeen Abdu’l-Bahá toen zei, maakte grote indruk op de vergadering van ruimdenkende christenen: “Het geschenk van God aan dit verlichte tijdperk is het besef van de eenheid van de mensheid en de wezenlijke eenheid van religie.”
Bron: http://www.bahai.org.uk/News/index.html
In oktober 1911 arriveerde Abdu’l-Baha in Parijs. De Franse Bahá’í-gemeenschap besteedt er een extra bericht aan: http://celebrations2011-2013.bahai.fr. De Nederlandse Bahá’í Monitor komt er in een van de volgende edities op terug.

