Bahá’í Wereldcentrum: de bekroning van de Karmel in nieuwe glans
home- Bahá’í Wereldcentrum: de bekroning van de Karmel in nieuwe glans

Bahá’í Wereldcentrum: de bekroning van de Karmel in nieuwe glans

Woensdag 13 maart 2011 opende het Israëlische dagblad “The Jerusalem Post” een van haar pagina’s met het bericht dat “de gouden schittering is teruggekeerd naar Haifa’s beroemde berghelling”. De bahá’í-wereldgemeenschap had een dag eerder de graftombe van de Báb van het stoffen omhulsel ontdaan na een grote restauratie. De Báb was de geestelijke voorloper van Bahá’u’lláh, de Johannes van Jezus Christus, de Elia die vanaf de Karmel de Messias omroept. Het bouwwerk staat sinds 1954 op de berg waar volgens de Bijbel “rijkdom schittert onder het zand”.

Roestvrijstalen banden versterken nu de octogoon boven het graf, en de koepel schemert met 11.790 vergulde tegels die allen met de hand zijn gevormd en gezet. Ze zullen volgens de Portugese fabrikant drie eeuwen lang blijven glanzen en vervangen de verweerde gouden tegels van Nederlands fabricaat waarvan een monster in het Nederlands Dakpannenmuseum te Alem bij Maasdriel wordt bewaard. 
De plaatselijke weersomstandigheden rond de Karmel, met felle zon, stevige wind en nevel van zee, had de vergulde glazuur van de koepel aangetast. Bovendien had nieuw geologisch inzicht in de breekbaarheid van de plaatselijke aardkorst  om versteviging van het bouwwerk gevraagd.

Na drie jaar planning onder leiding van de Iraanse architect Saeid Sarnadi uit Californië, en tweeënhalf jaar werk door vaklui en vrijwillige helpers uit vele landen was het project eerder dan verwacht geklaard. De restauratie is voor bahá’ís  symbolisch voor de geest van eenheid die de Báb en Bahá’u’lláh hebben losgemaakt, en die tot steeds verbazingwekkender projecten van samenwerking in de wereld inspireert.   

Vorige jaar hebben 760.000 mensen de bahá’í heiligdommen bezocht die op de lijst van het gezamenlijke erfgoed van de Verenigde Naties prijken – de bahá’í-tuinen met de Tombe van de Báb op de Karmel en de tuinen van Bahji bij Akko met het heilige graf van Bahá’u’lláh.

De eerste vijf of zes miljoen mensen – verdeeld over alle landen – geloven dat de Perzische edelman die in 1892, na veertig jaar ballingschap, zijn graf bij Akko heeft gevonden, de Heer is om wiens tussenkomst alle wereldgodsdiensten bidden. Vanaf 1844 had de Báb de komst van Bahá’u’lláh aangekondigd. Zes jaar later werd hij op staatsgezag terechtgesteld. Zijn sterfelijke resten werden in 1905 naar de plek overgebracht die de Tombe op de Karmel markeert. 

Pas over duizend jaar zal zich weer een godverschijnsel voordoen met een vergelijkbare impact op het bewustzijn van de mensheid, met onthullingen zoals die zich sinds het midden van de 19e eeuw hebben voorgedaan. Hemel en aarde hebben sindsdien een nieuw formaat gekregen. Bahá’ís geloven in  openbaring  door opeenvolgende manifestaties van Gods Geest. De heilige boeken van alle godsdiensten spreken van de komst van de Beloofde die eensgezindheid en vrede brengt. “Hetgeen hier gebeurt is uniek in de stad, in Israël en eigenlijk in de wereld,” zei de burgemeester van Haifa, Yona Yahaf, op de ochtend toen op de berg “de Koningin van de Karmel” de doeken liet vallen die de bouwkundige verjonging hadden verhuld. 

Bronnen:
- http://news.bahai.org/story/816
- http://www.jpost.com/NationalNews/Article.aspx?id=216366


© 2014 Bahá’í-gemeenschap Nederland  /  Bahá’í International Community