Het Bahá’í-geloof in China: herontdekking van oude sporen
Ontdek

Een nadere kennismaking...
Activiteiten

Wat gebeurt er in Nederland...
Verdiepen

Belangrijkste leringen, instituten...
Toen en nu

In vogelvlucht van toen naar nu...
Nieuws & Media

Publicatiemateriaal, nieuwsbrieven...
Kalender « Mei 2012 »
« Mei 2012 »
ZoMaDiWoDoVrZa
   
   
             
5 Grootheid - 169 BE
home- Het Bahá’í-geloof in China: herontdekking van oude sporen
Send letter Print PDF

Het Bahá’í-geloof in China: herontdekking van oude sporen

In het kader van het geestelijk ontwaken van China verschijnen ook sporen van vroeg contact met de bahá'í-beweging die in de 19e eeuw uit Perzië en Palestina was gekomen. Wikipedia wijdt er voor het eerst een uitvoerig artikel aan.* De eerste pioniers waren twee Perzische kooplieden die in de zestiger jaren van de 19e eeuw in Shanghai en Hong Kong woonden. Er liepen in die tijd vooral draden van de islam naar Kashgar, de meest westelijke stad van het Chinese rijk, gelegen aan het begin van de Zijderoute.
  
‘Abdu’l-Bahá wilde er in 1917 naartoe, nadat het Ottomaanse Rijk nieuwe vrijheden had verkondigd, maar kreeg er geen reispapieren voor. Hij had het ballingschap van Bahá’u’lláh in de strafkolonie Akko gedeeld en was als oudste zoon de geestelijke erfgenaam van diens goddelijk gezag . China staat in de bahá’í-geschriften vermeld als “een helder kaarslicht”, een “begunstiger van de beginselen van de goddelijke beschaving”. Door de ineenstorting van het Chinese keizerrijk in 1911, de burgeroorlog van 1927 tot 1950, de Japanse bezetting van 1937 tot 1945 en de machtovername in 1949 door de Communistische Partij onder Mao Zedong stagneerde de ontkieming van het bahá’í-geloof in China.   De laatste jaren nemen de tekenen van een historische opleving ook van het bahá’í denken steeds verder toe.

In de Britse kroonkolonie Hong Kong was in 1974 een eerste Nationale Geestelijke Raad van de Bahá’ís ontstaan – de hoogste bestuurlijke trap onder het Universele Huis van Gerechtigheid dat sinds 1963 in Haifa op de Berg Karmel zetelt. Sinds de overdracht van de soevereiniteit van Hong Kong aan de Volksrepubliek China (1997) wordt de Nationale Geestelijke Raad (NGR) pro forma niet langer als zodanig beschouwd, ook al fungeert die bestuursinstelling als coördinerend middelpunt van de opbloeiende Chinese bahá’í-gemeenschap. Taiwan had al in 1967 een “NGR” opgericht.
 
In de Volksrepubliek onderhouden de bahá’ís goede betrekkingen met de Staatsdienst voor Godsdienstige zaken (SARA). Toen die dienst in 1993 een delegatie van de Plaatselijke Geestelijke Raad van de Bahá’ís van Macao uitnodigde voor een bezoek aan de staatsdiensten in Beijing was dat de eerste formele erkenning van het bestaan van dit jonge geloof. De Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen en de universiteiten van Shandong en Beijing hebben inmiddels een Centrum voor Bahá’í Studies opgericht.  

De leringen van Bahá’u’lláh sluiten nauw aan bij traditionele Chinese denkbeelden zoals “de Grote eenheid” van de wereldvrede, de eenheid van de familie van mensen, maatschappelijke dienstbaarheid, morele opvoeding, familiewaarden, onderzoek van de waarheid, de “Hoogste werkelijkheid” van God, de gezamenlijke oorsprong van godsdiensten, harmonie met de natuur, de zin van beproeving en leed en matiging in al wat men doet.

http://en.wikipedia.org/wiki/Baha'i_Faith_in_China   

© 2012 Bahá’í-gemeenschap Nederland  /  Bahá’í International Community