Open brief per kerende post
Gelijke behandeling van moslims en bahá’ís
In een open brief aan het hoofd van de rechterlijke macht van Iran, Ayatollah Mohammad Sadeq Larijani, pleit de vertegenwoordiging van de Bahá'í-wereldgemeenschap bij de Verenigde Naties voor de vrijheidsrechten van alle burgers van het land en gelijktijdig voor de vrijlating van de bahá’ís die om hun geloof in Bahá’u’lláh in de gevangenis zitten. Bahá’u’lláh is naar hun diepe overtuiging de drager van Gods hoogste naam in dit nieuwe tijdperk, de brenger van volkenverbindende inzichten en omstandigheden.
De brief is een reactie op een oproep van Iran aan vreemde mogendheden om moslimburgers eerlijk te behandelen. “Bahá'ís vragen slechts dezelfde behandeling van u”, aldus de Bahá’í International Community (BIC).
In de brief wordt o.a. gewezen op de onrechtvaardige behandeling van Iraanse burgers om afwijkend geloof. Daarin weerspiegelt zich “de vreselijke golf van onderdrukking die de Iraanse natie teistert”, aldus de Bahá’í-wereldgemeenschap.
De brief somt als voorbeeld de “vele verwerpelijke maatregelen” op die door de autoriteiten werden genomen tijdens de gevangenhouding, het proces, de veroordeling en het beroep daartegen van de zeven bahá'ís in Iran. Die zeven vormden een groep (“Yárán”, vrienden), die de primaire interne belangen van de bahá'ís in hun land behartigden die door de staat van hun formeel bestuur waren beroofd. De autoriteiten waren daarvan op de hoogte; desalniettemin werden zij beschuldigd en veroordeeld als waren het verraders van hun land. De Verenigde Naties, de Europese Unie en een aantal regeringen van vrije landen hebben van het onrecht in Iran schande gesproken
