Steeds meer wetenschappers vinden God
Voor prominente wetenschappers als de bioloog Richard Dawkins (“The God Delusion”, 2006) is God een waanidee. In werkelijkheid neemt het geloof in God juist onder jonge geleerden toe. Dat heeft CBNS onlangs op grond van een onderzoek door het Pew Research Center in Washington gemeld. Van de tweeënhalfduizend leden van de “American Association for the Advancement in Science” bleek 52 procent in God of een Hogere macht te geloven. Bij een soortgelijk onderzoek in 1914 toen de wereld nog begrijpelijker leek, bedroeg dit percentage 42 procent. Op deze uitkomst hebben onderzoekers vanuit hun geloof als bahá’ís gereageerd.
De Canadese biochemicus vindt dat evolutie en geloof elkaar niet uitsluiten: “Natuurlijk oordelen de meeste onderzoekers dat er geen noodzaak voor een God bestaat; er zijn anderen die de verbazingwekkende complexiteit van het leven alleen kunnen verklaren door het mysterie van een Schepper. Het is een kwestie van interpretatie van dezelfde waarneming.” Voor bahá’ís is religie volledig compatibel met wat de biowetenschap ontdekt, in een proces waarin elke ontdekking ook nieuwe vragen oproept.
Volgens Bahá’u’lláh is de wetenschap een zoeken naar het Onkenbare dat zich in de schepping openbaart en verhult. Victoria Talwar, hoogleraar psychologie, vindt dat haar geloof als bahá’í haar ook heeft geholpen om menselijk gedrag te begrijpen – als een proces van verfijning van de soort. Religie helpt kinderen volwassen te worden, slechte manieren af te leren en goede en gezonde burgers te worden. “Mijn studenten realiseren zich niet dat ik vaak bahá’í-principes aanvoer, omdat onderzoek aantoont wat Bahá’u’lláh over het wezen van de mens heeft geopenbaard.”
De onderzoeker Redwan Moqbel stelt: “Ik geloof dat een spirituele kracht ons met de bron van alle kennis verbindt. Einstein zei het al: “Wat ik ontdekt heb kwam door mezelf maar niet uít mezelf.”
