‘Abdu’l-Bahá op reis
Een nieuw geloof betreedt in 1910 het forum van de wereld
Honderd jaar geleden ging ‘Abdu’l-Bahá voor het eerst op reis naar Egypte, Europa en Amerika. In zijn geestelijke bagage waren de woorden uit de openbaring van zijn vader, Bahá’ú’lláh, zoals: “Gij zijt allen de vruchten van een boom”, en: “Ik wens u vrienden te maken van Mijn ziel in het rijk van Mijn grootheid, en tot metgezellen van Mijn schoonheid in de hemel van Mijn eeuwigdurende macht.” Voor diens volgelingen, de bahá’ís, is Bahá’u’lláh de jongste Manifestatie van God op Aarde – een verschijnsel dat zich in het verloop van de tijd voortdurend vernieuwd, als het komen van een nieuwe dag.
Bahá’u’lláh was na zijn detentie in de ondergrondse kerker van Teheran het land uitgezet en had vanaf 1853 tot aan zijn heengaan met zijn familie in ballingschap geleefd, eerst in Bagdad en Adrianopel (nu Edirne), dan in Akko aan de Bocht van Haifa in toenmalig Palestina, een strafkolonie van het Ottomaanse Rijk.
Het verbanningsbevel van de sultan werd in de nadagen van 1908 opgeheven. De “Jonge Turken”, een groep officieren, hadden een staatsgreep tegen sultan Abdu’l-Aziz gepleegd en een “Comité voor eenheid en vooruitgang” opgericht dat de sultan uit zijn droom hielp: Abdu'l-Aziz benadrukte het islamitische karakter van de staat, riep zich uit tot kalief en verdediger van moslims over de gehele wereld en dacht het westers imperialisme met een “Heilige oorlog” te kunnen ondermijnen. In werkelijkheid ondermijnde hij zijn eigen gezag.
‘Abdu’l-Bahá had gedurende veertig jaar de onvrijheid van zijn vader gedeeld en begon pas met 66 jaar voor het eerst een leven in vrijheid. Jarenlang had hij in Akko en Haifa naast vele landgenoten ook de eerste westerse pelgrims ontvangen die van verre gehoord hadden van de komst van de gezant van God van nieuwe tijden. Nu reisde ‘Abdu’l-Bahá naar Amerika en Europa.
Het Universele Huis van Gerechtigheid op de Berg Karmel in Haifa herinnert nu aan deze doorbraak voor het Bahá’í-geloof – een toentertijd nagenoeg onbekende religieuze beweging: “Met de aanvang van die reizen naar het westen doorbrak de Zaak van Bahá’u’lláh na een halve eeuw van vijandigheid en onderdrukking haar grenzen. “ In een toespraak in de City Temple-kerk in Londen noemde ‘Abdu’l –Bahá het besef van de innerlijke eenheid van het mensdom en de oorspronkelijke eenheid van alle godsdiensten “Gods geschenk aan dit verlichte tijdperk”. Later schreef hij in een brief aan de Organisatie voor een Duurzame Vrede in het Vredespaleis te Den Haag: “Tot de leringen van Bahá'u'lláh behoort dat religie de oorzaak moet zijn van vriendschap en liefde. Als zij de oorzaak van vervreemding wordt, dan bestaat er geen behoefte meer aan, want religie is als een geneesmiddel; als het de ziekte verergert wordt het overbodig.”


