In Nepal, het geboorteland van de Boeddha, houdt de overheid het erop dat de bahá’ís in het land leden zijn van een “NGO”, een non-gouvernementele organisatie die de aarde als één land voor één mensheid beschouwt. Voorzitter van de Nationale Geestelijke Raad in Shantinagar, Kathmandu, is Larry Robertson, een Amerikaan die met een Nepalese is getrouwd en in de nadagen van de Hippies in Nepal is beland.
Aan David Gestoso van de netkrant “nepalnews.com” vertelde hij dat de bahá’ís sinds de omwentelingen van 1990 in vrede leven ook al zijn ze als religie nog niet erkend. “Men dacht eerst dat we een sekte van de islam waren maar christenen zijn ook geen sekte van het jodendom.”
Nepal heeft een hindoe-boeddhistisch landsverleden. Volgens Robertson zijn de bewoners van zijn nieuwe thuisland ontvankelijk voor een zienswijze waarin hun traditie als onderdeel wordt ervaren van een groot geheel van alle volkeren. Dirgha Vikram Shah, de secretaris van het Nepalese baháí-bestuur, beaamt dat: “Traditioneel hebben we kasten maar ik denk dat we allen tot dezelfde mensenfamilie behoren.”
Gezamenlijk inzicht: godsdiensten en filosofieën zijn in oost en west toegankelijker dan voordien. Mensen keren zich af van oude denkbeelden en zijn op zoektocht naar een levensvorm die ons allen verbindt. Officieel onthoudt Nepal zich nog van stem als in de Verenigde Natie over de mensenrechten in Iran wordt gestemd. Voordien vond de Republiek Nepal acceptabel dat Iran mensen onderdrukt. Nu niet meer – een effect van de zachte stem van de eerste zeven à achtduizend bahá’ís in het Himalayaland.



