Iran (3): Verzoening van recht en onrecht lijkt ondenkbaar
Naar aanleiding van het proces tegen de zeven interimaire leiders van de Iraanse bahá’í-gemeenschap heeft de persdienst “Iran Press Watch” een rechtskundige uiteenzetting gepubliceerd van de Amerikaanse jurist Christopher Buck:
“De islamitische rechtspraak erkent in algemene zin niet de voorrang van het recht zoals dat in westerse wetgevingen vastligt, maar er overheerst het belang van de verplichtingen vanuit de religie. Iran vormt daar geen uitzondering op. In Iran zijn alle rechten van de mens die het volkenrecht beschermt ook ogenschijnlijk in de grondwet vastgelegd, maar gerangschikt onder slecht gedefinieerde ‘Islamitische criteria’. Elke poging om het Iraanse strafrechtelijk stelsel compatibel te doen zijn met vooruitstrevende internationale mensenrechtelijke normen is gedoemd tot frustratie en mislukking als die niet beantwoordt aan de doelstellingen en vereisten van de sharia, de Wet van God. Verzoening is rechtuit onmogelijk.”
Het Iraanse strafrechtelijke systeem dateert van 1999 en baseert zich op het beginsel van “de gerechtigheid van God in schepping en wetgeving”. De “Revolutionaire Tribunalen” gaan uit van een eenzijdig inquisitoir stelsel en niet van het westerse concept van aanklacht en verdediging. De rechter is hierbij tegelijkertijd aanklager, arbiter en zijn eigen jury, met andere woorden – hij is oppermachtig in alle strafzaken die hij voorzit.
Bron:
http://www.iranpresswatch.org/
The Trial of the Yaran under Iranian Criminal Procedure: “The Justice of God” or Procedural Injustice?
