Den Haag, 13 februari 2009
De zeven gearresteerde leden van de bahá'í-gemeenschap in Iran, die sinds mei vorig jaar gevangen worden gehouden, zullen binnenkort terecht moeten staan op grond van valse beschuldigingen. Tot die conclusie komen vertegenwoordigers van het Bahá'í-geloof bij de Verenigde Naties in Genève, na kennis te hebben genomen van berichten in Iraanse media. De zeven worden ervan beschuldigd voor Israël te spioneren, gangbare religieuze waarden te beledigen en propaganda te voeren tegen de Islamitische Republiek. Alle beschuldigingen zijn volgens de bahá'ís volledig onterecht.
De zeven leden van de bahá'í-gemeenschap in Iran zijn vorig jaar (in de maanden maart en mei) gearresteerd en door de Iraanse autoriteiten overgebracht naar de Evin-gevangenis in Teheran. Zij vormden een groep die zich ‘de vrienden in Iran’ noemde en die de activiteiten van de bahá'í-gemeenschap in Iran coördineerde. Zij deden dit in overleg met de Iraanse overheid omdat er geen officieel bahá'í-bestuur wordt toegestaan. In Iran is het Bahá'í-geloof verboden. De Iraanse autoriteiten voerden incidenteel informeel overleg met het zevental.
De beschuldiging van spionage voor Israël is een argument dat al meer dan driekwart eeuw tegen de bahá'ís wordt gebruikt. Het internationale hoofdkwartier van de bahá'ís is gevestigd in Israël. Dit was een rechtstreeks gevolg van het feit dat de stichter van het Bahá'í-geloof, Bahá'u'lláh, vanuit Iran werd verbannen naar een gevangenis in Akka, dat dicht bij Haifa ligt. Dat gebeurde in 1868, tachtig jaar voor de staat Israël werd opgericht.
Ook de andere beschuldigingen tegen de zeven bahá'ís kunnen niet worden onderbouwd. Bahá'ís staan overal ter wereld bekend als vredelievende, opbouwende burgers, die niet uit zijn op het hebben van macht. Daarnaast gaan zij in een geest van vriendschap om met volgelingen van alle religies in de wereld.
Het heeft meer dan acht maanden geduurd, tot de zeven Iraanse bahá'ís officieel in staat van beschuldiging zijn gesteld. Al die tijd zijn er geen bewijzen tegen de zeven aangevoerd. Geen enkele keer kregen zij juridische bijstand van mevr Shirin Ebadi, hun advocaat. Mevr. Ebadi kreeg evenmin toegang tot de stukken, die de aanklacht tegen de bahá'ís moeten ondersteunen. De internationale bahá'í-gemeenschap vindt dat mevr. Ebadi toegang moet krijgen tot de gevangenen en tot de stukken.
De aanklacht tegen de zeven bahá'ís lijkt te passen in het beleid om de bahá'ís in Iran te elimineren. Al sinds de oprichting van de Islamitische Republiek dertig jaar geleden zijn de bahá'ís slachtoffers van vervolging en onderdrukking. Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig leidde dat tot honderden executies en sindsdien tot een op grote schaal toenemend aantal schendingen van burgerrechten van de bahá’ís.
De wereldwijde bahá'í-gemeenschap is ernstig verontrust over de aanklacht tegen de zeven bahá'ís. Internationaal is aangedrongen op krachtige maatregelen en protest. De Nationale Geestelijke Raad, die de bahá'ís in Nederland vertegenwoordigt, heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken direct op de hoogte gesteld van de nieuwste ontwikkelingen.
Meer informatie:
- http://www.news.bahai.org/story/694
- http://news.bahai.org/human-rights/iran/iran-update.html
- http://news.bahai.org/documentlibrary/TheBahaiQuestion.pdf - http://bahai.org/persecution/iran
- http://www.iranhrdc.org/httpdocs/English/homepage.htm



